Het Orgel van Sint-Paulus

De Sint-Pauluskerk herbergt één van de meest bijzondere en best bewaarde historische orgels in Vlaanderen. Het is het enige orgel in Antwerpen dat op een dergelijke schaal historisch pijpwerk bevat uit de 17e en 18e eeuw.

De bijzonder rijk geornamenteerde orgelkas is vervaardigd in het atelier van Rubens. Het ontwerp is van de hand van Erasmus Quellin II en het snijwerk werd vervaardigd door Pieter Verbrugghen de Oude.


Pieter Verbrugghen de Oude (links) en Erasmus Quellin II (rechts)

Het instrument maakte reeds een lange en bewogen geschiedenis door. De oorsprong gaat terug tot het midden van de 17de eeuw (1654/1658). Toen bouwde Nicolaas Van Haeghen een nieuw orgel voor de paters Dominicanen in Antwerpen. Het instrument bezat toen 42 registers, verdeeld over drie klavieren. Een zelfstandig pedaal was nog niet aanwezig. Het oudste nog bewaarde pijpmateriaal dateert uit deze periode.

In 1730-1732 onderging het orgel een grote transformatie, uitgevoerd door de toen in Antwerpen wonende orgelbouwer Jean-Baptiste Forceville. Hij breidde het orgel fors uit. Aan de kas werden twee pedaaltorens toegevoegd, waarmee het orgel zijn huidige gedaante kreeg. Het grootste aandeel van het aanwezige pijpwerk dateert uit deze periode. Forceville bouwde in die jaren bovendien een tweede orgel op de koorafsluiting van de Sint-Pauluskerk. Bij de afbraak van dit koordoksaal in 1832 werd het instrument uiteindelijk verkocht aan de parochiekerk te Broechem. Daar is het nog steeds te horen.

Na de Franse revolutie werden de paters Dominicanen uit Antwerpen verjaagd, maar gelukkig kwam het orgel vrij ongeschonden uit deze woelige periode. Omdat het hoofdorgel in onbruik was geraakt zocht men Jean-Joseph Delhaye aan om het instrument te restaureren.

Delhaye voerde de restauratie door in 1824. Ondanks de wijzigingen (uitbreiding van de manuaaltessituur, nieuwe windladen voor de klavieren,…) bleef Delhaye het concept van Forceville grotendeels trouw. Het pijpwerk liet hij in grote mate ongemoeid, enkel de meeste tongwerken werden door Delhaye nieuw gemaakt. Bij het bijmaken van pijpen voor de uitbreiding van de klavieren sloot Delhaye nauw aan bij het materiaal van Van Haeghen en Forceville.

In 1843 werd door François-Bernard Loret een vrijstaande speeltafel op het nieuwe zangersdoksaal geplaatst. De oude spaanbalgen maakten plaats voor een magazijnbalg met pompen.
Na deze transformatie vinden in de loop van de komende decennia nog kleine wijzigingen plaats wat betreft de mechaniek en de windvoorziening. Zo werd de stemming gebracht op de moderne toonhoogte en werd er een barkermachine geplaatst voor het hoofdwerk. Aan de dispositie werd gelukkig weinig veranderd.

Vanaf 1955 werd aan het orgel gewerkt door de organisten Specht en Bank, waarbij vooral het pijpwerk werd onder handen genomen. Bij de brand van de kerk in 1968 liep het orgel grote schade op. Er vonden nadien verschillende herstelwerkzaamheden plaats.


De brand van 3 april 1968

Echter, de grote afstand tussen speeltafel en orgel had tot een zeer gecompliceerde mechaniek geleid, die gemakkelijk ontregelde. Al deze factoren, in combinatie met een verwaarlozing van het onderhoud, leidde in het begin van de jaren ’90 van vorige eeuw tot volledige onbespeelbaarheid van het hoofdwerk en het echowerk.
Een uitgebreide restauratie vond plaats tussen 1993 en 1996 door Ghislain Potvlieghe en Jean-Pierre Draps. Daarbij werd ondermeer de oude speeltafel gereconstrueerd en ook de toonhoogte werd teruggebracht naar de oorspronkelijke toestand. De stemming bleef evenwel gelijkzwevend. Om samenspel op de moderne toonhoogte mogelijk te maken werd op het koordoksaal, op de plaats van de oude windvoorziening, een nieuw instrument gebouwd door Potvlieghe. De vrijstaande speeltafel van Loret uit 1843, één van de vroegste voorbeelden in België, is te bezichtigen in de crypte van de kerk.

De huidige toestand van het instrument is van die aard dat een nieuwe restauratie zich opdringt. Verschillende problemen op gebied van windvoorziening, mechaniek en intonatie van het pijpwerk maken dat het instrument vandaag niet meer in een concertwaardige toestand verkeert. Wel is het nog te horen in de verschillende liturgische vieringen. Het is bijzonder jammer dat een instrument van dergelijke Europese klasse in deze staat verkeert. Het is dan ook te hopen dat een toekomstige restauratie, omringd door internationale expertise, dit uitzonderlijk patrimonium in al zijn glorie herstelt.