Franse barok – een toelichting

De gedachte aan “La musique baroque Française” oftewel de Franse barokmuziek doet ons wegdromen in de tijd. Een vervlogen tijd, dat is het zeker, maar het laatste grofweg halve decennium terug herontdekt door de opkomst van de “Historically Informed Performance”. Het onderzoek van eerste bronnen als partituren, iconografie, brieven en andere testimonials doet ons terug een stuk dichter staan bij deze tijd. De kennis die nodig is bij het uitvoeren van deze muziek, is mogelijk dankzij gespecialiseerde studie door musicologen, instrumentenbouwers, kunsthistorici, de museumwereld etc. Het instrumentarium wordt terug heruitgevonden, facsimile’s worden gedrukt en gespecialiseerde literatuur uitgegeven.

Deze wetenschap staat niet stil: de muzikant probeert zich meester te maken van zoveel mogelijk verschillende informatie om het dan te vertalen op zijn instrument. Maar nederigheid is steeds gewenst, net zoals een portie relativeringsvermogen. We zullen nooit weten hoe het er werkelijk aan toe ging … we zullen nooit de tijdsgeest voelen waarin deze componisten, zoekende naar erkenning en werk, hun composities met wat inkt en een pen aan het papier toevertrouwden. Voorts is dit manuscript maar een heel summiere manier om vaak diepgaande muzikale gevoelens over te brengen. Maar ik zie het als een geluk bij een ongeluk omdat muziek altijd opnieuw moet heruitgevonden en beleefd worden, zowel voor de uitvoerders als het publiek. En dit is nu net mogelijk door de marge aan interpretatie en de noodzakelijke input van muzikale ideeën van de muzikant zelf. De hunkering naar alle mogelijke kennis rond deze muziek en zijn tijd is een resultaat van diepe interesse en liefde. En is er het natuurlijke verlangen om dit te delen met een publiek.

Met de muziek uit het Frankrijk van de 17e en 18e eeuw denken we automatisch aan Louis XIV, onder wiens régime de kunst werd gebruikt als middel om de grootsheid ver buiten de landsgrenzen te brengen. Eenmaal gevestigd in het enorme kasteel van Versailles, dat letterlijk omhoog rees uit de moerassen buiten het drukke Parijs, werd ze het kloppend hart van de natie. Tegen de tijd dat de Zonnekoning in 1715 zijn aardse rijk inruilde, had er zich een echte persoonlijke stijl ontwikkeld zowel in de muziek als in alle andere kunsten. De muziek straalt op haar beurt de grandeur van het koninkrijk uit, maar is ook vervlochten van melancholie door een heel eigen manier van componeren. Niemand minder dan Jean-Baptiste Lully bracht dit tot een hoogtepunt door muziek royaal te toonzetten in 5 stemmen. We onderscheiden dan “dessus” – zowel voor viool, hobo, blokfluit, etc – “les parties” en “les basses”. Les parties werden in de 3 do-sleutels geschreven en betrof maximaal 3 altvioolpartijen, “haut-contre, taille & quinte “van klein naar groot. Met “les basses” werd zowel een becijferde bas bedoeld – klavecimbel, orgel of luit – als een gestreken bas. De gestreken bas kon een gamba oftewel “viole” zijn of de typische “basse de violon”. De diversiteit van de instrumenten was veel groter dan we denken, alsook de stemmingen en de speelwijzen. De studie naar het hoe en waarom gaat onverminderd voort. Grofweg de 19e eeuw heeft gaandeweg een grote standaardisering teweeg gebracht in het klassieke instrumentarium en heeft de grote diversiteit ongewild beetje bij beetje van de kaart geveegd.

Eerder de tessituur gaf het soort instrument aan en veelal is er ruimte voor keuzes. Vandaag integreren we in de viering een bloemlezing met 4 verschillende componisten met 3 bezettingen, gebruik makende van 2 violen, een viola da gamba, cello en een orgelpositief. De 4 componisten zagen allen het levenslicht in het Frankrijk van de 17e eeuw, de eeuw van Louis XIV.

Marc-Antoine Charpentier (° Paris 1643 – 1704) ging in Rome studeren bij Carissimi en kon bij zijn terugkeer rekenen op een privébaan bij La Duchesse de Guise. Na haar dood kon hij componeren voor de prestigieuze Comédie Française, waar hij samenwerkte met niemand minder dan Molière, de artistieke handlanger van Lully. Hij trad ook in dienst als componist bij de Jezuïeten en de laatste 6 jaar van zijn leven was hij kapelmeester aan de Sainte-Chapelle. Charpentier schreef veel religieuze muziek waaronder missen, motetten, het bekende Te Deum, gelegenheidswerken, oratoria, vespers, etc. U hoort vandaag 3 werken van Charpentier. Naast een korte “caprice pour 3 violons” volgt de Prélude uit een motet genaamd “O Amor” oftewel “Elévation à 2 dessus et basse chant”. Later in het programma brengen wij u de Ouverture en het eerstvolgende deel uit “Symphonies pour un Reposoir”, gecomponeerd in 1672.

François Couperin “Le Grand” (1668 – 1733) is vooral bekend voor zijn grote repertoire voor het klavecimbel en wat wij heden “kamermuziek” noemen, dus kleine wisselende bezettingen “au choix”. Hij werd geboren, werkte en stierf in Parijs. Hij had er een briljante carrière in navolging van zijn vader en ontwikkelde een heel eigen stijl gebaseerd op zijn visie van het klavecimbel- en orgelspel. Als aanloop naar de aanvang van de viering van vandaag brengen wij enkele delen uit een triosonate oftewel “sonate en trio”. Trio slaat hier op de 2 dessus-partijen en de baspartij. Deze sonate kreeg de naam “l’Impériale” mee en maakt deel uit van een bundel van 36 werkjes, verdeeld over 3 “Ordres”. Deze bundel verscheen in 1726 onder de naam “Les Nations” en moet een schat geweest zijn voor zowel de amateur- als professionele muzikant. Couperin is een meester in hoogst verfijnde genrestukjes en verzorgde zelf zijn uitgaves waar elke versiering bewust werd gedrukt en beschreven door de componist, wat uitzonderlijk was.

Met Jean-Marie Leclair (1697-1764) zijn we aan een tegenpool van Couperin beland, althans als mens. Leclair was een bevlogen en getalenteerd violist die wordt aanzien als de stichter van de Franse vioolschool. Muzikaal wist hij ook als Couperin de Franse en Italiaanse stijl te combineren. Hij werd geboren in Lyon, werkte aan het hof van Louis XV maar woonde en werkte enkele jaren in Nederland (Leeuwarden & Amsterdam). Zoals veel violisten in het Ancien Régime was hij dansmeester en liet ons enkele belangrijke bundels aan sonates na ; zowel voor vioolsolo als voor 2 violen (triosonate), telkens met een becijferde bas. Vandaag hoort u enkele delen, over de viering verspreid, uit zo’n triosonates : het “Grave & Allegro” uit de 3de Ouverture en een “Aria Gratioso” uit de 3de sonate. Deze 2 werken verschenen samen in een bundel van 3 Ouvertures en 3 Sonates onder opus 13 in 1753, 3 jaar voor Mozart werd geboren en 3 jaar na Bach’s dood. Als afsluiter hoort u een Chaconne (een dans als een reeks variaties op een thema) uit zijn opus 8, genaamd “ Deuxième Récréation de musique” uit 1737.

Joseph Bodin de Boismortier (1689-1755) is heden een minder bekend maar daarom zeker geen onverdienstelijk componist. Geboren in Thionville, opgegroeid in Metz en in 1713 mee verhuisd naar Perpignan waar hij een job had bij de koninklijke tabakscontrole, wachtte Boismortier er tot 1724 om naar Parijs te verhuizen nadat zijn muziek die hij in Perpignan tot dan toe uitgaf een waar succes bleek. Hoewel hij vaak vormen overnam naar Italiaanse Stijl schreef hij volkomen in de verfijnde stijl die een mengeling lijkt van luchtige verfijning, positivisme, weemoed maar telkens met “grandeur”. U begrijpt dus dat we graag deze muziek met u willen delen. U hoort, in onze voltallige bezetting, de 6de sonate uit zijn opus 34.

– Justin Glorieux

Barokmis no. 1 – Franse barok
25 februari 2018, 10.30u

met In Nomine, ensemble in residentie
Justin Glorieux, viool
Delphine Gros, viool
Fredrik Hildebrand, viola da gamba
Herlinde Verheyden, cello

Nicolas De Troyer, orgelpositief

Voorgegaan door pastoor Paul Scheelen
Homilie door diaken Frank Morlion

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *